Toetstaalwoorden in de examens

Bepalen wat er jullie school te doen staat

De actuele kerndoelen voor het primair- en voortgezet onderwijs zijn opgeleverd. Het is nu aan de scholen om ze te implementeren. Voor veel schoolleiders staat dit hoog op de prioriteitenlijst van de komende vijf jaar. Wat er precies in die nieuwe kerndoelen staat en welke consequenties ze voor het curriculum van de school hebben, is voor velen nog onbekend. Het boek en de PDFs van SLO met alle kerndoelen daarin helpen je daar maar matig bij. Daarom heb ik een kaartsenset ontwikkeld om scholen te helpen hierover in gesprek te gaan. 

Ik werkte onlangs met een groep afdelingsleiders die aan de slag wilde met de curriculumactualisatie en wilde weten waar te beginnen. Voor hen ontwikkelde ik deze workshop bij de kaartenset waarin we antwoord vonden op de vragen:

  • Wat staat er precies in de nieuwe kerndoelen?
  • Wat wordt er van vaksecties verwacht?
  • Waar moeten wij als schoolleiders zorg voor dragen?

Hieronder leg ik uit hoe je deze workshop zelf kan uitvoeren met je eigen schoolleidersteam. Wil je dat ik deze workshop voor je kom faciliteren, stuur me dan een mailtje.

De opbouw van de kerndoelen 

De formulering van de kerndoelen heeft een duidelijke structuur. Elk kerndoel begint met een kernzin die kort aangeeft wat het doel inhoudt.

Daaronder volgen doelzinnen waarin staat wie de actor is (de school of de leerling), welke activiteiten, handelingen of ervaringen verwacht worden en op welke inhoud dit betrekking heeft. Voor de kaartenset hebben we deze doelzinnen gebruikt. Dat zijn 120 kaarten, één voor elke doelzin. Op de voorkant staan de doelzin en het kerndoelnummer.

Op de achterkant lees je wat het doel inhoudt. Dit is de puntsgewijze uitwerking van de doelzin en waar de school wettelijk aan moet voldoen.

Het doel van de workshop is om alle 120 doelzinnen te ordenen op een matrix geprint op A0 papier zodat je overzicht creëert. Links leg je alle leergebied-eigen of vakgebonden doelzinnen. 

Rechts leg je alle doelen die een schoolbrede aanpak nodig hebben.

De meeste doelen landen in de bovenste baan. Beheersingsdoelen zijn gericht op de leerling als actor. Ze beschrijven de kennis en vaardigheden die leerlingen moeten beheersen. Het gaat om gedrag dat een leerling daadwerkelijk kan laten zien of toepassen. De vaksectie weet hoe dat moet en de lesmethode helpt erbij. Je zult de secties tijd moeten geven om aan deze nieuwe doelen te werken. Bij de ene sectie zal dat meer tijd kosten dan bij de andere. De rol van de schoolleider is bij deze beheersingsdoelen procesmatig en niet inhoudelijk.

Neem 26A.

De leerling beschrijft historische ontwikkelingen aan de hand van gebeurtenissen, personen en voorwerpen.

Een afdelingsleider hoeft hier weinig mee. Dit ligt bij geschiedenis.

Draai je de kaart om, dan zie je wat het doel precies vraagt. Wanneer je de achterkant leest, kan je goed beoordelen of een doel echt binnen één vak blijft of breder gedragen moet worden.

Ervaringsdoelen zijn gericht op de leerling als actor, maar hebben een ander karakter. Ze beschrijven welke inspanning of betrokkenheid van leerlingen wordt verwacht met het oog op ervaringen en expressieve reacties. Het gaat om het opdoen van ervaringen die de horizon van leerlingen verbreden, hun kennis verdiepen of bijdragen aan persoonlijke inzichten en waardenontwikkeling. Een groot aantal van deze doelen zijn vakspecifiek. Deze doelen kunnen door de methode behandeld worden maar veelal zal dit ook aanboddoelen zijn dat via excursies, gastlessen en practica wordt vormgegeven.
De rol van de schoolleiders kan zijn om ervoor te zorgen dat deze doelen samenhangend in een doorlopende leerlijn worden aangeboden. Veel excursies en gastlessen staan op een moment dat bij de oude volgorde paste. Klopt dat nog als inhoud en volgorde veranderen?

Neem 29A.

De leerling verkent de leefomgeving en onderzoekt vraagstukken uit de wereld.

Dit doel vraagt dat leerlingen iets ervaren en onderzoeken. Een toetscijfer past hier minder bij. De afdelingsleiders in de workshop maakten een plan om verder te bespreken hoe ze het huidige aanbod van verschillende activiteiten inzichtelijk konden maken.

 

Soms worden elementen van beheersing en ervaring gecombineerd in een hybride doel. In die gevallen gaat het er niet alleen om dat leerlingen iets kunnen, maar ook dat ze een ervaring opdoen die hun motivatie, reflectie of creativiteit stimuleert. 

Doelzin 31B is hier een voorbeeld van:

De leerling toont inzicht in chemische processen en circulariteit en verkent de impact van processen op de omgeving.

“Toont inzicht” is een handelingswerkwoord waarvan je de beheersing kan meten. Maar “verkennen” is niet meetbaar en daardoor dus een doel dat ervaren kan worden.

Aanbodsdoelen richten zich op de school als actor. Ze beschrijven waar een school in haar onderwijsaanbod voor moet zorgen en schetsen de randvoorwaarden die noodzakelijk zijn om de totale set kerndoelen te kunnen bereiken. Dit zijn de doelen die de schoolleiders eruit moeten vissen en zorg voor moeten dragen. Deze komen rechtsonder in de matrix te liggen. Er zijn eigenlijk geen vakspecifieke aanbodsdoelen. 

Een goed voorbeeld hiervan is 28D.

De school draagt bij aan de sociale en emotionele ontwikkeling van leerlingen en bevordert respectvolle omgang met anderen.

De kaart komt uit het leergebied mens en maatschappij. Toch kan geen sectie geschiedenis of aardrijkskunde dit doel in haar eentje waarmaken. Mentorlessen, een anti-pestprotocol en een veiligheidsplan heeft bijna elke school al. Met dit kerndoel krijgen die een plek in het curriculum. De vraag voor de afdelingsleider is dan: is wat we al doen dekkend voor wat op de achterkant staat?

Wensen en grenzen bespreekbaar maken, weerbaarheid, conflicthantering: dat is vaak het werk van mentoren. Omdat dit een kerndoel is, moet elke leerling dit aanbod krijgen. In hoeverre ben je als afdelingsleider op de hoogte van het mentoraatprogramma?

 

Elke school legt de kaarten anders

De matrix heeft geen antwoordmodel. Kijk daarom ook kritisch naar de kaarten die links liggen.

Neem 2C:

De leerling verkent de betrouwbaarheid van verschillende bronnen.

Het doel hoort bij Nederlands. Toch kun je goed verdedigen dat de school dit gezamenlijk oppakt, want leerlingen beoordelen bronnen in bijna elk vak.

Hetzelfde geldt voor 21D:

De leerling verkent mogelijkheden en beperkingen van AI.

Leerlingen gebruiken AI bij al hun vakken. Een schoolbrede afspraak over hoe AI besproken en gebruikt mag worden ligt voor de hand.

Ook het profiel van de school telt mee. Een school met een technasium wil misschien een schoolbrede aanpak voor 29B:

De leerling gebruikt natuurwetenschappelijke en technologische denkwijzen bij het ontdekken en verklaren van de wereld.

Een school met een kunstprofiel wil misschien 40B schoolbreed aanpakken:

De leerling onderzoekt het eigen artistiek creatief vermogen.

Een TTO school wil wellicht de Engels doelen breder trekken. 

De leerling verwerkt Engelstalige teksten mondeling en schriftelijk om tot kennisopbouw en begrip te komen.

Het proces bewaken

De kaarten links liggen bij de vaksecties. Ook daar moet iemand meekijken. Wacht een sectie op de nieuwe methode? Gaat ze zelf materiaal maken, of eerst experimenteren? Gaat ze met een externe partner in zee? Elke route kan goed zijn, zolang de schoolleiding weet welke route elke sectie kiest, het proces kan faciliteren en de voortgang kan monitoren.

Tussen de 12 en 20 kaarten zullen er rechts liggen. Dat is een stuk overzichtelijker dan het dikke boek van SLO en de 120 kaarten waar we mee waren begonnen. Trek ook niet meer dan 20 kaarten naar jezelf toe. De volgende stap is prioriteiten aanbrengen.

De kaarten dwingen je om hardop met elkaar uit te spreken wat jullie als schoolleidersteam belangrijk vinden en zorg voor willen dragen. Een vaksectie kan de schoolbrede doelen niet in haar eentje plannen. De schoolleiders moeten ervoor zorgen dat de aanpak voortkomt uit een visie. Denk aan de burgerschapsvisie van de school, het taalbeleid of het ICT-beleid. Pas dan wordt het een aanpak voor de hele school, waarin vakken elkaar versterken.

 

Daarna begint het echte werk. Voor elk kerndoel in de rechterkolom bespreken de afdelingsleiders:

  • Doen we dit al goed?
  • Hoe weten we dat?
  • Wat kunnen we beter doen?
  • Wie is er verantwoordelijk voor?
  • Hoe gaan we dat aanpakken?
  • Hoe volgen we of het werkt?

Ook bij deze stap help ik jullie graag, bijvoorbeeld met een vervolgsessie waarin we de kaarten rechts samen uitwerken tot een plan. Lijkt jullie dat wat? Stuur me dan een mailtje met jullie hulpvraag.

Bestel de suusl

Verder op Voor de klas

Blijf op de hoogte

Schrijf je in voor de nieuwsbrief en ontvang 1 keer per maand de meest populaire, actuele en recent toegevoegde programma’s voor de klas.